Bloedend huis

Ik check met de zaklamp of het lek in ons trappenhuis gaat druppelen als de douche aanstaat. De keukenkraan en vaatwasser hadden dat effect, de badkamerkraan niet, dus ik heb goede hoop. Een oud huis bloedt, denk ik, en ik zie het als vervelend, maar niet als pech, want pech heb je overal, en ik heb het geluk hier te wonen. Al is het op slechte dagen twee uur reizen naar mijn werk, het is mijn plek. En mijn lek. Dat nu gelukkig geen spoor van water laat zien. Vanavond houden we het droog, morgen zullen we wel verder zien.

Spelen

Ik zat met iemand van mijn dichtcursus in een cafe. Een zevendejaars filosofiestudent met een derdejaars psychobioloog. We wisten niet waar het leven ons brengen kon. Dichter bij onze kunst, hoopten we, en tegelijk verder er vanaf, want kunstdrift was ook toen wanhoop met een dun laagje vernis. We praatten niet zoveel, we wisten genoeg. De gapende afgrond die we deelden maar niet konden delen. Maar we waren studenten, die kregen toen de tijd om, voor het leven begon, er mee te spelen. Met de standaard van nu waren we aan het falen. Gelukkig waren we daarvoor net te vroeg.

Herfstperspectief

Elke dag lijkt intensiever. Alsof alles wat belangrijker is. Ik mis de cocon van gesponnen zonlicht, die alles wat er niet toe doet meteen tot een surrealistisch beeld schetst. De herfst is altijd zo vervlochten van besef. Alles is hyperrealistisch, met een door Hollywood geslepen bril, alsof er een diepere betekenis kan schuilen bij de opkomst van elk nieuw personage. En eigenlijk is dat ook zo, want betekenis bestaat bij de gratie van de betekenisgever, en elke scène belicht opnieuw mijn introperspectief. Ik probeer me over te geven, want het duurt maar zo kort, en ik heb het zo lief.

Zin in

Ik steek mijn hoofd voorzichtig weer uit het bed, waar ik sinds vrijdagavond in heb gelegen, Niet zozeer ziek, meer ingestort. Soms is het lekker om jezelf vergetend een hele trilogie uit te lezen en nergens anders meer aan te denken. Maar nu is het zondag, binnenkort moet ik er toch weer uit, het huis begint vast te stinken, mijn vriendin weet niet meer hoe mijn stem klinkt en ik ben vergeten hoe ‘buiten’ voelt. Met stramme benen loop ik een rondje langs de plas. En dan snel weer terug naar huis. Functioneren, ik heb er nog geen zin in.

Luxeprobleem

Ik loop zenuwachtig door de regen naar de fotoshoot voor het interview over sociale angst. Ik overwin de zenuwen ook deze keer, maar in elke volgende situatie zullen ze op komen zetten. ‘Je haar is nat,’ zegt de visagiste verbaasd, voordat we belanden in een gesprek over het verschil tussen sociale angst en sociopathie. ‘Bordeaux is je kleur’ en ‘je lip krult leuk’ zijn de opmerkingen van degenen die daarna om me heen zoemen. Ik voel me gestreeld en tegelijkertijd alleen. Dat is een luxeprobleem. Ik was bijna vergeten dat disconnectie met de wereld van anderen eigenlijk mijn normaal is.

Winterlichaam

Ik zie er verlopen en pafferig uit na een dag vol vergaderingen, behalve mijn haar, dat er eerder piekerig uit ziet. Als extra bonus heb ik een beginnende pukkel op mijn kin, want hoewel het waar is dat die krengen na je puberteit minder veelvuldig langskomen, is het een mythe dat ze ooit helemaal verdwijnen. De winter zet in,een tijd waarin mijn hoofd lekker veel verwerkt en introspecteert, terwijl mijn lichaam talloze stadia verval doormaakt, tot het volledig bleek en harig weer wat zon detecteert. Ik ben bijna blij dat ik morgen langs een stylist en visagiste moet. Bijna.

Twee jaar

Het is twee jaar geleden dat ik opstond, dacht ‘wat ga ik nou eens met mijn leven doen’, en besloot om mijn dag in precies honderd woorden op te schrijven. Eigenlijk was het een manier om uit mijn schrijversblokkade te komen, maar al binnen een week begon het zijn eigen leven te leiden. Inmiddels kan ik me niet eens meer herinneren dat er een tijd was dat niemand iets van me wist, omdat ik nou eenmaal niet zoveel vertel, want erover schrijven doe ik wel. Over vallen en opstaan, leren kijken en leren groeien. Daarom deze ode aan mijn verhaal. 

Geluk

Ik zie mezelf als iemand die geluk heeft. Het meisje winnen dat ik wil, de baantjes krijgen waarvoor ik mijn sollicitatie-angst heb doorbroken, mijn studie halen, een plek vinden als ik ergens wil wonen, antidepressiva hebben die werken… Terwijl ik, als ik terugdenk, een minstens even lange lijst kan opstellen waarom ik ongeluk heb. Depressies, uitgekafferd op een sollicitatiegesprek, afgeblaft in een rij-instructeurauto, op het matje geroepen bij een baan, het verkeerde huis, een scheiding. Maar in de samenvatting van mijn leven zie ik die dingen zelden terug. Mezelf zien als iemand die geluk heeft, dat is waarschijnlijk mijn geluk.

Voelen

Ik krijg sinds kort deze brieven van de therapeut. Bij de meesten denk ik ‘inderdaad’. Bij sommigen denk ik ‘Poe’. Bij deze dacht ik eerlijk gezegd ‘huh?’. Niet dat ze niet ongelooflijk gelijk heeft natuurlijk, maar analyseren van gevoelens kan ik pas achteraf en praten over gevoelens is een gloednieuwe vaardigheid van me die nog net wat later volgt. Ik voel de emoties wel geloof ik, denk ik. Ik voel een soort gerommel in mijn onderbuik, waar ik twee dagen mee rondloop voordat het ineens vertaalt naar een traan, een woedeuitbarsting of gewoon diarree. En daarna kan ik erover praten.