Hart zingt

Zondag vraagt om zo’n lunch, waarbij het antwoord op “hoe gaat het” niet simpelweg “goed” is. Meer “mijn psycholoog wil dat ik mediteer, mijn coach dat ik negatieve gedachten omdraai. Dus doe ik wat anders, ik maak een dagboek in 100 woorden..” Een hele mond vol, maar waar ik met anderen niet praten kan, kan ik bij mijn ouders soms niet zwijgen. Als ik het moment wil vastleggen, stopt een voorbijgaande fietser om de camera over te nemen. Gek hoe zo’n klein gebaar van vriendelijkheid kan aanvoelen als een warme deken. Mijn hart zingt zachtjes; ik maak mijn eigen therapie.

Upgrade

De lucht is grauw, toch schijnt de zon over de wereld. Het is zaterdag, dus ik moet de was doen, de boodschappen, stofzuigen, mijn kamer opruimen, het bed verschonen en de kattenbak trouwens ook. Ik weet bij het opstaan al dat geen van die dingen gaat gebeuren. Het is een dertigersdilemma: je wordt ouder, maar je krijgt er niet automatisch het pakketje ‘verantwoordelijk gedrag’ bij. Tenminste, ik heb die upgrade niet gehad. De schoolbel gaat allang niet meer, maar ik sta nog steeds op een hoekje van het schoolplein, mijn mond licht open, geconcentreerd naar de gele bladeren te kijken.

Doorbijten

Het is vrijdag en ik voel me onevenredig moe. Waarschijnlijk een kleine jetlag van de wintertijd, of een staartje van het griepvirus. Het kan ook zijn dat ik totaal geen zin heb om me naar hockeytraining te slepen. Het voelt weer alsof ik 15 ben. Maar ik weet nu hoeveel erger het is als je ergens niet doorheen bijt. Dat ik me na die anderhalf uur vloeken, zweten en tot noch toe volstrekt onbekende spiergroepen verdraaien, beter voel. Al is het alleen maar omdat het voorbij is. Dus ik wurm me in de bizarre scheenbeschermers en beleef opnieuw mijn puberteit.

Een beetje dood

Op donderdagen ga ik een klein beetje dood. Niet op de letterlijke manier, al denk ik dat er wel wat cellen afsterven. Ook niet op de depressieve manier, het is niet alsof een zware melancholie over me neerdaalt. Wel beland ik in een paniekaanval, maar eentje die meestal lucht geeft. Ik beklim elke week een podium om iets te doen dat lijkt op toneelspelen. Deze week valt deze les helaas uit. Ik besluit het beetje doodgaan te vervangen door een collega een welverdiend compliment te geven. Dat klinkt niet eng, toch zijn mijn handen klam. Maar daarna is er lucht.

Kind in mij

Vannacht heeft de wind mijn fiets omver geblazen. Ik stap op een zadel vol modder en negeer het als de band aanloopt. Er volgt een poging om over het zoemgeluid heen te zingen, maar ik ben me te zelfbewust om er vol voor te gaan. Het is als huppelen: het kind in me kan het vol overgave, maar vooral met vrienden die me aanmoedigen of een goed glas op. Ik mis het allebei. Ondertussen wacht dat kind tot ik haar vrij laat. Het wordt niet vandaag. Bij het stoplicht trap ik tegen mijn velg en rij in stilte verder.

Durven vallen

Ik zit als een verzopen kat op de stoel, en probeer te bedenken of ik het kussen achter mijn rug moet wegtrekken. De val van de blaadjes ziet er door de ramen bijna luchtig uit. Ik werp er af en toe een blik op als ik moeite heb om mijn luisteraar direct aan te kijken, vraag me dan meteen af of ik lieg, verdraai. Als ik dieper de sessie inga verdwijnt mijn zelfachterdocht. Een leger hulpverleners verandert niets, als ik niet vertrouwen kan. Dus laat ik me vallen, bijna luchtig. Als ik mijn ogen weer open, is de regen gestopt.  

Homoscheiding

De herfst heeft er maling aan dat onze klokken op winter staan. Maar om half vijf is het amberkleurige licht weg en het oranje-bruine parket donker. Ik probeer s’ avonds mijn eigen gloed op te werpen in mijn roodgebloemde jas, maar ik doe het de zon niet na. Ik ga langs het nieuwste lid van de “break-up-club”. Een term verzonnen toen het homohuwelijk in de VS werd ingevoerd, en we de bitterzoete grap maakten dat wij al een homoscheiding hadden. Ik voel me triestig, om het soms terug willen zetten van de tijd. Het leven heeft er namelijk maling aan.

Band

Zo’n dag waarop ik niet ontbijt, niet lunch en thuisbezorgd komt voor het avondeten. Sociaal contact beperkt is tot appjes. En ik me dan, na de inspannende smartphone-oefening, toch op mijn fiets hijs. Naar de bar waar iemand die ik ken optreedt. “Ben je niet de ex van?” is de eerste zin die ik hoor. Jammer dat ik in een alcoholvrije maand zit. Maar dan komen mijn vrienden, is de band fantastisch, loop ik tegen een lang uit het oog verloren studievriend aan. Als ik weer naar huis race, de wind in mijn haar, weet ik dat mijn ogen stralen.