Lief,

ik ben vaak al gebonden, aan een te hoge lat, geen emotie maar cijfers, geïndexeerd en geschat, ik ben eerder gesprongen, veel dieper dan ik dacht, ik heb uitgewrongen, gesmeekt en gesmacht, ik heb liefgedaan, ik heb liefgestreden, ik heb liefgewenst, ik heb liefgeleden, nog nooit heb ik zo liefgehad.

Najaar

het najaar legt haar loper: in dieprood en stofgoud lonkt ze met verhalen, over bladeren van koper een wind vol zoethout, een lucht van lichtstralen, over hoe zachte zon met haar vurige strepen, nog altijd kan verwarmen, en iets over een herfststorm, onder een donzen deken, in jouw kalme armen.

Vlinders

ik beken dat ik ze heb de vluchten, fladders vleugeldieren dromend dralend ik eeuwig falend mijn insektespray te laten vieren ik beken dat ze hier zijn voortdurend weer de vleugels strekken tergend draaiend ik eeuwig graaiend om hun aanval uit te rekken ik beken dat ik ze mag lichtvoetig leger, mijn ondergaan uitbundig zwevend ik toegevend bied ik hen mijn vrijheid aan ik laat ze opnieuw begaan.

Kalverliefde

Jij ziet mij niet in de gang hoort niet mijn hart haar hard gezang weet lang niet hoe ik verlang,   ik ken je rooster en ook je klas er is niets aan jou dat mij verrast, ik weet zelfs welk boek je echt nooit las,   en ik wou soms even, al is het ongelezen, dat ik er naast in je schooltas pas

Bezittingsdrang

omweg, dwaalspoor, maar hier ben ik weer het lijkt nog erger dan de vorige keer   lang niet lang genoeg hiervandaan   vluchten, vechten, maar zo wang aan wang, ben ik bezeten van mijn bezittingsdrang, en zeker niet zeker in mijn waan,   dat ik je eigenlijk wel wil weerstaan

Verranderlijk

elke keer dat ik je zie, is er een andere jij, en elke keer dat ik je speek, hoor je een andere mij en van wat ik heb gezien zijn al die versies van jou, nu al meer dan een stuk of tien, waar ik op dat moment van hou maar als mijn ik dan, op een dag, die van jou eens niet zo mag, denk niet dat ik wegdraai, want wij worden dan misschien, nooit zo mindful of stabiel, maar zeker ook nooit saai

Masker

ik trek mijn masker zo strak aan dat je bijna de afdrukken van mijn gezicht ziet ik verberg mijn angst gezien te worden in onthullende kleding, mijn boos in mijn verdriet wat onder de laag zit, is bijna zichtbaar, maar zijn die contouren waar? ook ikzelf weet het niet.

Oerwoud

het oerwoud lag al achter me maar leek steeds onder mijn voeten terug te kruipen spottend lachend liep het me plagerig weer een stap voorbij strekte zich uit en ik vermeed mijn handen te zien die het groen tot wonden vermaalden want ze waren er niet de woekerplanten die voedsel zogen uit mijn vlees met bloemen die één dag bloeiden.

Mysthiek

Er was ooit een dag dat alles was en ik ook, omdat ik dat alles was, en dat alles, alles zat overal in mij, en naast dat mij bestond geen tijd   geen individu, bezit, jouw of mijn, het was een dag bevrijd van zijn ik was niet, moest niet, want geen ik, geen zelf in dat eeuwig ogenblik,   alleen een iets, één met de stroom, en met de stroom in mij, wás ik gewoon.