Twee jaar

Het is twee jaar geleden dat ik opstond, dacht ‘wat ga ik nou eens met mijn leven doen’, en besloot om mijn dag in precies honderd woorden op te schrijven. Eigenlijk was het een manier om uit mijn schrijversblokkade te komen, maar al binnen een week begon het zijn eigen leven te leiden. Inmiddels kan ik me niet eens meer herinneren dat er een tijd was dat niemand iets van me wist, omdat ik nou eenmaal niet zoveel vertel, want erover schrijven doe ik wel. Over vallen en opstaan, leren kijken en leren groeien. Daarom deze ode aan mijn verhaal. 

Stilte

misschien komt die dag een keer; ik in tranen, jij onbewogenknipperend naar het tegenlichtde verbijstering of slechts het ongeduldkunnen we het achterlaten? je knikt en gaat. de stilte die je torstevalt in stukken rond de eindmarkeringen dan geen woorden meer voor ons.

Zwarte schaduw

Op het schoolplein werd een blikje heen en weer getrapt. Een klasgenote rookte verscholen achter de golfplaten bijgebouwen, die er al tien jaar stonden en nog steeds stonken naar nieuwe lijm en vervlogen hoop. Mijn haren kleurden donker van het zweet, mijn hart pompte gierend door mijn nog smalle lijf, de hormonen suisden met de snelheid van licht mee. Een gewone ochtend, een verstilde herinnering, spreekt me ineens aan vanuit een jarenoud gedicht. Verlamd, verveeld, gevangen in angst, gestold in verlangen. De greep van eenzaamheid. Ik kan soms met weemoed kijken naar die tijd, maar ik wil nooit meer terug.

Muisje

ik wil verder dan mijn vleugels ik ben veel groter dan lang ik ben een angsthaas, een muisje, maar voor de duivel nog niet bang, als je de waarheid vraagt, lieg ik als je rots wilt krijg je zand voor wie me kennen wil, weeg ik een beetje hart, een stuk verstand, mijn vals is nep, mijn lach is grief, ben ik iemand of speel ik beter? ik ken mij niet, ik ben mij niet, weet ik? heb ik een geweten? ik heb woede, tranen, angsten, soms ben ik goed, soms voel ik slecht, de personen, die in me wonen, zijn nog, altijd, in gevecht, …

Spaans terras

in je wendingen klinken zacht klokjes, bellen van zeep in regenboogkleuren, zij ruisen trillend golven in nachtwind, in al onze bezwete lucht; nu scherp bezwangerd van boomschors, wijn en vluchtig vergaand zomerzwoel mosgrond, vleugjes olijf op zo’n naamloze avond, zomaar op een Spaans terras en ik wou, zou zo graag willen dat het nog, altijd, gisteren was.

Lief,

ik ben vaak al gebonden, aan een te hoge lat, geen emotie maar cijfers, geïndexeerd en geschat, ik ben eerder gesprongen, veel dieper dan ik dacht, ik heb uitgewrongen, gesmeekt en gesmacht, ik heb liefgedaan, ik heb liefgestreden, ik heb liefgewenst, ik heb liefgeleden, nog nooit heb ik zo liefgehad.

Najaar

het najaar legt haar loper: in dieprood en stofgoud lonkt ze met verhalen, over bladeren van koper een wind vol zoethout, een lucht van lichtstralen, over hoe zachte zon met haar vurige strepen, nog altijd kan verwarmen, en iets over een herfststorm, onder een donzen deken, in jouw kalme armen.

Vlinders

ik beken dat ik ze heb de vluchten, fladders vleugeldieren dromend dralend ik eeuwig falend mijn insektespray te laten vieren ik beken dat ze hier zijn voortdurend weer de vleugels strekken tergend draaiend ik eeuwig graaiend om hun aanval uit te rekken ik beken dat ik ze mag lichtvoetig leger, mijn ondergaan uitbundig zwevend ik toegevend bied ik hen mijn vrijheid aan ik laat ze opnieuw begaan.

Kalverliefde

Jij ziet mij niet in de gang hoort niet mijn hart haar hard gezang weet lang niet hoe ik verlang,   ik ken je rooster en ook je klas er is niets aan jou dat mij verrast, ik weet zelfs welk boek je echt nooit las,   en ik wou soms even, al is het ongelezen, dat ik er naast in je schooltas pas